Geschiedenis Bergvrijheid Silbach

Silbach is een van de oudste dorpen in het stadsgebied van Winterberg. Al rond 1159 werden aan de Silberberg zilveraders ontdekt. In het jaar 1281 werd een plaats met de naam "Silbike" als verspreide nederzetting voor het eerst schriftelijk in de Arnsberger registers vermeld. Daarmee is Silbach bedoeld. In die tijd, ruim 720 jaar geleden, bestaat het dorp uit drie boerderijen. Maar de inwoners van Silbach zijn niet alleen boeren, voornamelijk veehouders, maar al snel ook mijnwerkers en werkers in de smeltovens. In de daarop volgende eeuwen groeit het dorp door de toestroom van mensen uit de omringende dorpjes rond Silbach, die er nu al lang niet meer zijn.

Om de mijnbouw in Silbach te bevorderen, wordt het dorp in 1559 door de Landsheer Johann Gebhard von Mansfeld, keurvorst en aartsbisschop van Keulen, tot Bergvrijheid verheven. Hierdoor genieten de Silbacher voorrechten t.o.v. de inwoners van de omringende dorpen. Zij behoeven geen hoofdelijke belasting meer te betalen. Ze zijn vrij van hand- en spandiensten, evenals van militaire dienst. Silbach heeft het recht om markten te houden en een wapen te voeren. Vanaf 1559 wordt in de Bergvrijheid recht gesproken.

Aanvankelijk maakt de Silbacher mijnbouw door de ontdekking van de zilveraders een grote bloei door. Maar ook leisteen en ijzererts worden gedolven. In 1553 zou het Silbacher leisteen zelfs aan het kasteel van Kopenhagen zijn geleverd. Door een tekort aan arbeidskrachten in de streek zelf komen mijnwerkers uit Clausthal-Zellerfeld (Harz) naar Silbach. Omstreeks het midden van de 17de eeuw wordt de ontginning vanwege het binnendringen van water in de mijn vooreerst stilgelegd. De Silbachers richten zich op andere ambachten, de bewerking van ijzer, het smeden van spijkers.


In de 19de eeuw beleeft de mijnbouw in Silbach nog één keer een opbloei. De mijnwerkers zoeken naar zilver, lood, ijzererts en leisteen. In de Tweede Wereldoorlog bieden de mijngangen bescherming tegen vijandelijke luchtaanvallen. In 1950 wordt de laatste leisteengroeve in Fuchshol gesloten. Desondanks is Silbach de mijnbouw trouw gebleven. Sinds 1923 wordt in de Silbacher "Grünsteinwerken" het gesteente Diabas, ook wel doleriet, gewonnen. Een oude mijncompressor en een lorrie in het dorpspark herinneren tegenwoordig aan de tijd, toen in Silbach nog leisteen werd gewonnen.
Naast de mijnwerker zijn er in de 19de eeuw ook andere beroepen in Silbach: handelslieden, kolenbranders, boeren, nagel- of spijkersmeden.

In de loop van de 20ste eeuw heeft Silbach zich, mede vanwege zijn idyllische ligging in het smalle, hoge dal van de beek „Namenlose“ ontwikkeld tot een geliefde vakantieplaats. In het jaar 1973 werd Silbach bij de wedstrijd "Ons dorp moet nog mooier worden" de gouden plakette en de titel "GOUDEN DORP" toegekend van het land NRW én van heel Duitsland.